terug

FAQs

1. bouwafdichting

Ja, bijvoorbeeld met een PFT-Swing. De benodigde toebehoren vindt u in het AQUAFIN-2K/M info-blad.

Bij ASO-Systeemvlies-02 spreken we van een beschermings maatregel. Het vindt zijn toepassing als:

  • Bescherming van verse afdichtlagen tijdens de uitharding.
  • Voorkomt een te snelle huidvorming op de verse afdichting, waardoor een snellere reactie/droging verkregen wordt.
  • Beschermt tegen beschadigingen van schuivende drain-platen cq. isolatieplaten.

De afdichting wordt direct na het aanbrengen aan het oppervlak beschermd. Navolgende beschermlagen zoals perimeter-isolatie worden niet direct op de afdichting gelijmd. Het ASO-Systeemvlies-02 creëert een zogenaamde glijlaag die eventuele beschadigingen aan de afdichting, door het verschuiven van isolatieplaten e.d. tijdens het vullen van de bouwput voorkomt.

De afdichting van aardrakende bouwdelen heeft als doel een bouwwerk duurzaam te beschermen tegen vocht en het inwendige zo optimaal mogelijk benutbaar te maken. De toe te passen afdichtingsproducten en systeemcomponenten moeten onderling compatibel en op elkaar afgestemd zijn. Zowel trasraam afdichtingen als wand-doorvoeringen (buizen en kabels) alsmede de overgang van verticaal naar horizontaal werk moeten zodanig worden uitgevoerd, dat een zekere en langdurige bescherming tegen vocht voorhanden is.

ASOL-FE 1:5 met water verdund. Deze grondlaag dient goed te zijn doorgedroogd alvorens COMBIDIC-1K kan worden opgebracht.

2. bouwrenovatie

De minimale laagdikte van THERMOPAL saneerpleisters bedraagt, al naar gelang de zoutbelasting van de ondergrond, 20 mm. Deze kan in 1 arbeidsgang worden aangebracht. Bij een hoge tot gemiddelde zoutbelasting de saneerpleister in 2 lagen aanbrengen in een minimale laagdikte van 25 tot maximaal 40 mm. Tussen de beide lagen ervaringsgewijs een wachttijd van 1 dag per mm laagdikte aanhouden.

Ja, bijvoorbeeld met een PFT G4. De benodigde toebehoren vindt u in het THERMOPAL-SR44 info-blad.

Als hechtbrug voor onze saneerpleisters THERMOPAL-SR24, THERMOPAL-SR44, THERMOPAL-ULTRA en THERMOPAL-GP11 wordt THERMOPAL-SP aanbrandmortel gebruikt. In de regel wordt deze onder saneerpleisters halfdekkend (dekkingsgraad <50%) aangebracht. De aanbrandmortel wordt alleen dan voldekkend onder saneerpleisters aangebracht wanneer deze ondergrond vooraf afgedicht is. Het aanmaakwater van THERMOPAL-SP kan bij sterk zuigende alsmede zeer zwak zuigende ondergronden met kunststofdispersie ASOPLAST-MZ veredeld worden. THERMOPAL-SP kan ook als aanbrandmortel onder overige kalk- of kalk/cementpleisters toegepast worden.

3. cementdekvloeren

Ja, juist bij nieuwe CD vloeren worden door deze maatregelen hechtverminderende plekken en substanties (grindnesten, slik etc.) herkend en verwijderd.

Een houten balkenvloer kan bij toepassing van bijvoorbeeld een zand/cementdekvloer zowel statisch (door eigengewicht) alsmede door het in de mortel voorhandene water negatief beïnvloed worden. Veelvuldig is ook niet de juiste hoogte (zoals bij deuren e.d.) voorhanden, waardoor inbouw van deze niet of nauwelijs mogelijk is. Wij adviseren voor dit soort toepassingen ons epoxysysteem ASODUR-LE, door het lage eigengewicht van dit product en de minimale opbouw is het uitermate geschikt voor toepassing op houten vloeren.

ASOCRET-HB-flex of alternatief vervaardigd uit een mengsel van de vloermortel en ASOPLAST-MZ 1:1 met water verdund.

4. tegelverlijming

Indien cementdekvloeren uitgevlakt/genivelleerd dienen te worden, dan komen onze SOLOPLAN-12 of SOLOPLAN-30 als meest ideale nivelleermassa's in aanmerking.
De eerste kan tot een max. laagdikte van 2-12 mm worden ingezet en de tweede tot 3-30mm. Belangrijk om te weten: de primer keuze voor deze nivelleermassa's is afhankelijk van de uiteindelijke laagdikte. Laagdiktes < dan 20 mm kunnen volstaan in de toepassing van een dispersieprimer ASO-Unigrond-GE.
Laagdiktes > 20mm dienen geprimerd te worden met een epoxygebonden primer en in deze natte primerlaag dient bovendien volzat kwartszand (korrel 0,5-1,0mm) te worden ingestrooid. Alle rand-, veld-,scheidings-en dilatatievoegen dienen te worden doorgezet in de uitvlak/nivelleerlaag en met geschikte middelen zoals: randstroken schuim RD-SK50, rondschuim etc voorbehandeld te zijn. SOLOPLAN-30 is in een laagdikte van < 20mm na ca 16 uur droging, geschikt om met tegels te worden overwerkt.

CA-gietvloeren, dienen altijd geschuurd, afgezogen en geprimerd te worden. Het restvocht-percentage dient ook hier altijd gemeten te worden om een tegelrijpheid te kunnen bepalen. De meting geschiedt enkel en alleen met een CM-apparaat.Ingeval er nu een verhoogd restvocht-percentage in de CA-vloer aanwezig is en men dient hierop tegels te verlijmen kan men op CA-vloeren met een vochtpercentage van 1,5% lijmen (zonder vloerverwarming) en 1,0% (indien met vloerverwarming)indien men gebruik maakt van UNIFIX-AEK.
Het tegelwerk dient echter een minimum voegpercentage t.a.v. het tegeloppervlak van +2% te bezitten (dit is bijv te bewerkstelligen met tegel van 40x40 en een voeg van 4 mm). Als de tegel dampopen is mag dit percentage geringer uitvallen.
Het lijmen van tegels op CA-gietvloeren met verhoogd restvocht-percentage dient als buitengewone constructie gezien te worden en is geen regel der techniek!

Tegelwerk is op grond van het aanwezige tegelvoegwerk kortstondig beperkt waterwerend en nimmer langdurig 100% waterdicht. Om die redenen dient ter voorkoming van vochtindringing achter het tegelwerk een vochtmembraan aangebracht te worden. Afhankelijk van de vochtbelasting dient er een keuze voor het juiste vochtwerende systeem gemaakt te worden

In water oplosbare verf- en lijmresten dienen restloos verwijderd te worden. Lak- en verfresten op oliebasis dienen mechanisch opgeruwd te worden. Opstijgend vocht vanuit de ondergrond dient beslist voorkomen cq verhinderd te worden. De ondergrond dient o.g.v. de sneldrogende kwartsgevulde primer ASO-Unigrund-S voorbehandeld te worden. Na droging van de primer kan dan met LIGHTFLEX, SOLOFLEX-FAST, MONOFLEX-FB gelijmd worden. Deze snel uithardende lijmtypes zoals genoemd, hebben hier de voorkeur, om te voorkomen dat eventuele vochtinwerking vanuit de lijmmortel beperkt blijft, zodat aanwezige oude bestanddelen niet kunenn opwellen en alsnog tot lossings problemen voeren.

CA-gietvloeren dienen altijd geschuurd en afgezogen te worden alvorens er een verdere bewerking op deze laag mogelijk is.Aansluitend wordt er geprimerd met ASO-Unigrond-K, ASO-Unigrond-GE of ASO-Unigrund-S. Rand- veld- scheidings- en dilatatievoegen dienen altijd te worden doorgezet of ingebouwd indien de constructie opbouw dat vereist. Voorbehandeling van deze voegen is een vereiste; zoals randstroken schuim RD-SK50 of rondschuimvullingen voor de voeg. De meest ideale nivelleermassa die hier van toepassing komt is ASO-NM15 en kan in een laagdikte van 2-30mm worden aangebracht. ASO-NM15 is een alfahalfhydraat en daarom alleen voor binnen geschikt, waar geen directe vochtinwerking op de ondergrond wordt uitgeoefend.

Allereerst dient er restvochtmeting te worden uitgevoerd op de aanwezige dekvloer. Het vocht gehalte welke met een CM-appatraat bepaald dient worden (nimmer met een elektronische vochtmeter) mag bij zwevende of op isolatie liggende dekvloeren een percentage van 2,0% niet overschrijden, in de regel is dit na 28 dagen. Vloerverwarming dient voorafgaand aan deze meting opgestookt te zijn. Bij CD-vloeren op hechtlaag komt deze vochtmeting te vervallen. Voor het verlijmen kunnen dunbedlijmmortels zoals: AK7P, SOLOFLEX, LIGHTFLEX etc. gebruikt worden. Bij gebruikmaking van de hoogflexibele lijmmortels UNIFIX-S3 of UNIFIX-2K kan er zelfs op jonge verse dekvloeren verlijmd worden. Dit kan dan geschieden zo gauw als de vloer begaanbaar is. Echter dient men wel rekening te houden met het nog niet afgesloten uithardingsproces van de dekvloer. De draagsterkte van de vloer zal pas na 28 dagen zijn eindsterkte bereikt hebben en derhalve dienen zware puntbelastingen (zoals in vorm van zware tegelpaketten en pallets) op de nog niet uitgeharde vloer vermeden te worden. Sinterlagen dienen voor aanvang van de tegelverlijming verwijderd te worden. Het lijmen op verse zwevende cementdekvloeren dient als afwijkende constructie gezien te worden en is geen algemene regel der techniek!

Voor een adequate bevestiging van steenachtige en keramische bekledingen op balkons en terrassen is het buitengewoon belangrijk de juiste systemen in te zetten. Op grond van onderling van elkaar verschillende uitzettings coëfficienten die per ondergrond-materiaal aanmerkelijk kunnen verschillen komt het vooral bij dit soort buitengelegen ondergronden door sterke temperatuurwisselingen tot verhoogde spanningen in de laag-opbouw van de ondergrond. Deze spanningen dienen duurzaam opgevangen te kunnen worden, zodat het niet tot breukschades in de lagen komt. Verder dient men, afhankelijk van de op te treden temperaturen, rekening te houden met een maximale kantenlengte van de tegelvelden. Deze mogen max. 2-5 meter te bedragen. De tegelvelden dienen in een lengte/breedte verhoudng van 1:2 gevormd te worden.Verder is een afschot van 2% een vereiste zodat water afgevoerd kan worden.

SCHOMBURG biedt twee systemen, om uit te kiezen:
Systeem 1 (AQUAFIN-TBS): afdichten met AQUAFIN-RS300 of AQUAFIN-2K/M en daarop een verlijming met de hoog flexibele tegellijm UNIFIX-S3 of UNIFIX-S3-FAST.
Systeem 2: afdichten met ADF-Balkonfolie en daarop lijmen met ADF-Systeemlijm of ADF-Systeemlijm-FB.

Een van de bijzondere pluspunten van tegelvloeren is de hygiëne. Een tegelvloer laat zich zeer eenvoudig en makkelijk reinigen en zal derhalve minder kansen bieden voor eventuele kiemgroei. bacteriën, schimmelsporen en andere ziekteverwekkers krijgen geen kans zich te ontplooien. De antistatische eigenschappen van een tegelvloer is een uitkomst voor mensen die allergie problemen hebben, aangezien stof en huismijt zeer eenvoudig te verwijderen zijn.Bovendien zijn tegels ecologisch duurzaam van aard en milieuvriendelijk.
Tegels zijn, indien met Schomburg producten verlijmd, geurneutraal en emissievrij, verder absorbeert een tegelvloer geen ongewilde schadelijke stoffen uit het milieu.
Op energetisch gebied hebben tegelvloeren in combinatie met vloerverwarming optimale geleidende eigenschappen waardoor de energiehuishouding aanzienlijk verbeterd wordt en dit positief voelbaar via de energie-afrekening te merken is.
Last but not least hebben tegelvloeren een zeer lange levenscyclus, wat wederom het milieu ten goede komt.

CA-vloeren dienen altijd geschuurd te worden, aansluitend afgezogen en zoals alle CA-gebonden ondergronden geprimerd te worden met ASO-Unigrond-K, ASO-Unigrond-GE of ASO-Unigrund-S. Vloerverwarming dient conform de regels der techniek en de opgave van de vloerverwarmingsleverancier voor het lijmen van tegels opgestookt te worden.
Verder dient er het lijmen een vochtmeting te worden doorgevoerd middels een CM-apparaat, deze meting mag een restvochtgehalte van 0,5% (zonder vloerverwarming) niet overschrijden. Indien er vloerverwarming aanwezig is mag het percentage de 0,3% niet te boven stijgen.
Geschikte tegellijmen zijn: MONOFLEX-FB, LIGHTFLEX, SOLOFLEX.

Om lossende en niet draagkrachtige lagen, zoals stof, vuil, sinterlagen, betonhuiden, verflagen, pleisterlagen etc. te verwijderen, zijn mechanische methodes zoals: vegen, zandstralen, kogelstralen, hogedruk waterstralen, slijpen, frezen etc. Aanwezige scheuren in de ondergrond dienen ten allen tijde middels 2-comp epoxyhars gesloten te worden. In geval niet uitgesloten kan worden dat ter plekke van deze scheur latere bewegingen in zwevende dekvloeren op gaan treden, dient deze scheur als dilatatie te worden doorgezet in de tegelbekleding. Is dit op grond van het verloop van de scheur niet mogelijk, dient de scheur alsnog met epoxyhars gesloten te worden en bovendien als een aan het tegelvoeg-patroon aangepaste voeg in de dekvloer gesneden/gezaagd te worden.

De oude tegelllaag dient vast te zitten en draagkracht te zijn,losse tegels/plekken dienen verwijderd te worden en met cementmortel PIII uitgevlakt te worden. De ondergrond dient gereinigd en alle lossende bestanddelen zoals: kalk, vet, vuil, etc verwijderd te worden. Scheuren in de ondergrond moeten met epoxyhars (ASODUR-K900) gevuld en verankerd worden. Het opruwen van de oude tegellaag verhoogt de aanhechting van de aan te brengen primer of contactlaag. ASO-Unigrund-S is een speciaal voor niet zuigende tegel over tegel-constructies ontworpen snel-primer. Echter kan het ook op zuigende ondergronden worden ingezet. Op een vakkundig voorbereide oude tegelondergrond wordt ASO-Unigrund-S onverdund in cross-link methode middels een vachtroller aangebracht. Na droging kan er dan gelijmd worden met o.a. LIGHTFLEX, SOLOFLEX, AK7P.

Het testen van de ondergrond op geschiktheid voor het aanbrengen van tegelwerk, is een van de taken van de tegelvakman om dit ter plaatse te beoordelen.De tegelzetter/lijmer dient dit als een van zijn kerntaken te zien, om aansluitend vakkundig tegelwerk te kunnen aannemen, uit te voeren en op te leveren. Niet toereikend voorbereide ondergronden zijn grotendeels debet aan schades die ontstaan aan tegelvloeren en wanden. Door de ondergrond vakkundig voor te bereiden wordt er een optimale hechtbasis gelegd om op te kunnen lijmen. Tot deze ondergrond voorbereidingen horen in ieder geval:
1.Visuele controle
2.Effenheids controle van de ondergrond conform DIN 18202 (toleranties in de bouw)De meting wordt uitgevoerd middels geschikt meetgereedschap (nooit pi maal duim)
3.Veegproef: door met de handpalm over de te lijmen ondergrond te vegen worden in het voorveld reeds verontreinigingen zoals stof en poederende ondergronden waargenomen.
4.Klopproef:door middel van het licht afkloppen met een hamer, zonder de ondergrond te beschadigen, worden zeer snel hol klinkende lagen in de ondergrond ontdekt doordat deze een ander klankbeeld vertonen.
5.Bevochtigingsproef: door het bevochtigen van de ondergrond met bijv . een borstel, wordt de zuigkracht van de ondergrond getest. Het water dient binnen korte tijd te zijn geabsorbeerd. Is dit niet het geval, dan is dit meestal een indicatie op teveel vocht in de ondergrond, rest residuen van ontkistingsproducten in de ondergrond, beton/cementhuiden of andere lossende substanties.
6.Hamerslagtest:deze test dient ter beoordeling van zeer dunne harde lagen, welke op minder harde lagen zijn aangebracht. Een harde laag aan het oppervlak breekt onmiddelijk in stukken bij een hamerslagtest.
7.Ruitkras proef: Door het ruitvormig inkrassen van de te behandelen ondergrond , is vast te stellen wat de gesteldheid (lagen,hardheid etc) van het oppervlak
is . Aan de snijlijnen mogen bij gelijkblijvende inkrassing geen afspattingen zichtbaar zijn.
8.Vochtmetingen: de vochtmeting dient ter beoordeling van tegelrijpheid van een ondergrond. Het max. vochtgehalte van een ondergrond alvorens er tegels gelijmd mogen worden is op cementdekvloeren die zwevend of op isolatielaag zijn geplaatst ;2,0% en bij calciumsulfaatvloeren 0,5%(zonder vloerverwarming)en 0,3 % indien met vloerverwarming. De meting dient altijd met een CM apparaat te worden uitgevoerd. Een elektronische meting wordt afgeraden aangezien deze alleen metingen aan het oppervlak kunnen doorvoeren en een zeer onnauwkeurig vochtbeeld afgeven van de ondergrond. Elektronische vochtmetingen zijn hooguit een indicatiemiddel om zones te kunnen voorbeoordelen.

Houten ondergronden dienen schoon, droog en draagkrachtig te zijn. Spaanplaten dienen in metselverband gelegd te zijn en voldoende te zijn gelijmd en geschroefd. Losse delen dienen vervangen te worden en aansluitend goed verankerd(lijmen en schroeven). Voegen tussen de delen met een geschikte acryl grout sluiten. Bij opgaande bouwdelen dient er een ruimte van 5mm vrij gelaten te worden om dilatatie mogelijk te maken (gebruik hiervoor het zelfklevende randvoegschuim RD-SK50).
Aansluitend wordt de snelle en vochtvrije mortel voor dit soort constructies aangebracht : De lichtgewicht dekvloermortel ASODUR-LE.
Na uitharding kan er op deze dekvloermortel gelijmd worden met UNIFIX-S3-FAST, LIGHTFLEX of MONOFLEX-FB. Alternatief kan er ook gekozen worden voor een ondervloer bestaande uit de warmte en geluidsisolerende STEPBOARD 9 of 15 mm dikte. Als hiervoor gekozen wordt dan dient de houten ondergrond genivelleerd te worden middels de speciale nivelleermassa SOLOPLAN-FA. Na uitharding van de nivelleermassa worden de Stepboard-platen met bijv. MONOFLEX-FB of LIGHTFLEX verlijmd. De Stepboard-platen dienen wel in metselverband gelegd en gelijmd te worden. Na uitharding kunnen dan de tegels op de stepboard-platen met zowel MONOFLEX-FB als ook LIGHTFLEX gelijmd worden.

Om tegels adequaat op gietasfalt te kunnen verlijmen dient het gietasfalt een kwaliteit van minimaal ASD-IC10 en een minimum laagdikte van 25mm te bezitten. Het gietasfalt dient aan alle opgaande wanden een dilatatievoeg van 10-15mm te bezitten. Deze dienen ook in het tegelwerk te worden doorgezet. Bestaat de ondergrond uit nieuw gietasfalt dan dient deze reeds tijdens het aanbrengen volzat ingestrooid te zijn met kwartszand. Is dit niet het geval dan dient het gietasfalt met ASODUR-GBM epoxyhars geprimerd te worden en aansluiten volzat te worden ingestrooid met kwartszand (korrel: 0,1-0,6mm). Na uitharding wordt het overtollige zand met een stofzuiger verwijderd.
Geschikte lijmmortels: UNIFIX-S3-FAST, LIGHTFLEX, MONOFLEX-FB.

5. Industrievloer-coatings

Dit is afhankelijk van laagdikte van de dekvloer en de omgevings omstandigheden. Bij cementdekvloeren kan er vanuit gegaan worden, dat deze waarde na ca 28 dagen en bij monolitische beton na ca 3 maanden bereikt wordt.

Nee, aangezien een afwijking van de juiste harder hoeveelheid (cq. mengverhouding) het overtollige deel niet of nauwelijks bindt, de coating hardt nauwelijks of ongelijkmatig uit (zachte plekken etc.).

Ja, juist bij nieuwe CD vloeren worden door deze maatregelen hechtverminderende plekken en substanties (grindnesten, slik etc.) herkend en verwijderd.

Bij coatings met een laagdikte van 1,5kg/m² of hoger, per laag geappliceerd. Het ontluchten met een prikroller dient eerst na ca 20 minuten na applicatie te geschieden.

Voor de harsreactie spelen temperatuur van het materiaal, en de ondergrond, alsmede de opgegeven potlife een belangrijke rol. Na het mengen van de a en b component dient deze direct op de ondergrond aangebracht te worden, daardoor absorbeert het hars de temperatuur van de ondergrond een verlangzaamt daardoor de uitharding. Hoe compacter de aangemaakte hars in de meng-emmer des te sneller de reactie, indien niet anders mogelijk een verwerkings-emmer gebruiken met grote doorsnede.
Nooit uit de leverings-verpakking verwerken.

Voor het mengen van de componenten: mengemmer(niet in de leververpakking mengen), menger cq. langzaam-draaiende boormachine met mengstaaf, eventueel een weegschaal.
Voor applicatie van toplaagcoatings (rolcoating): kwast, epoxy-rollers.
Voor applicatie van gietvloeren (vloeicoatings):spaan, rakel, getande rakel, prikroller, spijkerschoenen.